Bij de boekpresentatie van Denken over liefde hoeft geen schrik aan te jagen (11/10/2018, de Groene Waterman, Antwerpen)* las ik deze tekst voor:

Aarzeling

 

IMG_7984
Credit: Isabelle Barberis

“We always hesitate when we wish for something” (theaterdirecteur Zofia Kalinska)

“It is the story of this hesitation that is the point of writing” (schrijver Deborah Levy)**

We aarzelen, wanneer we iets wensen.
En het punt van schrijven, van een boek schrijven dus ook, is het verhaal van deze aarzeling.

Ik wens ook iets, en heb bij deze boekvoorstelling ook geaarzeld, zoals mijn moeder en mijn lief weten, die hier allebei aanwezig zijn. Ik aarzelde, misschien van de zenuwen. Ik heb zoiets als vandaag tenslotte nog nooit gedaan. En het is zo’n klein boekje!

Maar ik wens er wel iets mee. En dat is niet iets kleins. Ik wens dat we beter zouden kunnen denken, samen. En daarom heb ik dit boek geschreven.

In feite is het boek zelf, inderdaad, een aarzeling. En een stap.

Het is een aarzeling, binnen mijn werk, binnen de weg die ik aan het afleggen ben met mijn werk, dat ik nu al twintig jaar doe. Dat werk, dat is: cognitie onderzoeken. Dat wil zeggen: onderzoeken hoe we denken, hoe we de wereld verstaan, en elkaar. Wat dat is, intelligentie.

Daar ben ik al heel lang mee bezig, met die vraag, al van kindsaf aan. Als 6-jarige vroeg ik mij af: wat is denken? Zoals veel 6-jarigen misschien (of zelfs 4-jarigen). Maar het is blijven plakken, bij mij.

Toen, samen met mijn ouders, mijn vader psycholoog en mijn moeder home-trainer, allebei autisme-specialisten, dacht ik na over hoe mensen denken. Heel interessant daarvoor waren de gedragingen en het denken van de mensen met autisme met wie mijn ouders werkten.

En er is iets in die gesprekken, in wat ik thuis leerde over denken, over mensen, en over omgaan met elkaar, wat de cognitiewetenschappen en de filosofie van de geest nog altijd niet goed weten.

Dat iets, dat weten jullie allemaal, dat weet iedereen hier in feite goed. Mensen, weten dat goed. Maar de cognitiewetenschappen – die zich meestal focusen op hoe computers weten – die weten dat nog niet zo goed.

Dat, wat jullie, wij, allemaal weten, dat is waarom ik dit boek geschreven heb. En in die zin is dit boek een aarzeling, en een stap.

Een aarzeling in de cognitiewetenschap, in mijn traject als filosoof die ons kennen, ons denken onderzoekt. Ik probeer er een pauze in aan te brengen, in dit traject. En hierin zit de stap.

De stap is er één naar buiten mijn comfort-zone -> naar het “bredere publiek,” “de leek,” zogezegd.

Ik zeg “zogezegd” omdat ik niet denk dat jullie (ik vermoed dat de meeste van jullie geen cognitiefilosofen zijn) – ik denk dus niet dat jullie leken zijn. Jullie zijn net de experts. Ik heb jullie nodig. Ik weet dat er leerkrachten in de zaal zitten, en verplegers, misschien therapeuten, of winkelbediendes. De meesten van jullie doen werk waarin datgene wat de cognitiewetenschappen nog niet weten, cruciaal is. En dat is: intermenselijke interactie.

In onze interacties met elkaar doen wij allemaal heel gesofisticeerde dingen – en daar ligt ons meest verfijnde, ons meest sublieme kennen en cognitie. Daarover gaat dit boek. Het is dus niet een boek waarin een filosoof zich vanuit haar ivoren toren “tot het volk richt”. Het is een uitnodiging tot samen denken. Ik bespreek voorbeelden uit het dagelijkse leven, zoals zorgen voor een familielid met dementie, en voetbaltraining, om de concrete realiteit, de alledaagse expertise van ons allemaal, naar de filosofie en de cognitiewetenschappen te halen, en ze daar diep in te laten doordringen – want dat is nodig. En om die dingen te kennen – ik als filosoof, die het tot nu toe vooral heel gewoon was om zeer academisch te spreken en te communiceren – hoop ik, met dit boek, een dialoog te openen, met jullie.

Dus, de cognitiewetenschappen weten nog altijd niet goed hoe wij mensen weten, en dat komt omdat ze zich gefocust hebben op hoe computers weten. Wat het meest menselijke is aan ons weten, wat we “gewoon doen” als leraars, als verplegers, als therapeuten, als ouders, als broers en zussen, maar wat niet in de handboeken voor al deze beroepen staat – noch in tekstboeken van de cognitiefilosfie – dat “gewoon menselijke” en inter-menselijke, daar gaat dit boek over.

En ik denk dat we dat allemaal het beste, het meest intiem, kennen in onze liefdesrelaties.

Daarom heet dit boek “Denken over liefde hoeft geen schrik aan te jagen” – omdat noch de filosofie van de cognitie, noch wij mensen allemaal, schrik moeten hebben van denken over liefde. Van weten hoe dat in elkaar zit, liefhebben. Want liefhebben, denk ik, is waar we allemaal het beste weten en kennen (waar we niet weten en kennen zoals computers, maar als mensen). Waar we vooral ook weten hoe moeilijk dat dikwijls is, kennen en weten, en liefhebben. Het zit vol valkuilen, moeilijkheden, verborgen intenties, onzekerheden, enzoverder. En toch doen we dat veelal, gaan we dat de hele tijd aan, dat liefhebben. We hebben daarin weinig keuze, zelfs.

In liefhebben zit een spanning, tussen onszelf, en de ander. De ander is, zichzelf. En wij ontmoeten die ander. Als onszelf. Ik ontmoet mijn lief, mijn moeder – twee mensen die ik erg liefheb – en ontmoet ze, als mijzelf. Dus, er is een spanning tussen wie zij zijn, en wie ik ben. Dikwijls geraakt dat in de knoop. En daarmee, met die gegevens, die wij zijn, en die zij zijn – en de knopen die zich in de koordjes tussen ons voortdurend spinnen en weer ontwarren – daarmee moeten we het doen, in liefdesrelaties. Elkaar kennen, weten wat de ander en ikzelf bedoelen, willen, net niet willen of bedoelen, dat is allemaal een spannende zaak. Een zaak soms, waar bommetjes onder liggen. Liefdesrelaties kunnen aartsmoeilijk zijn.

En dat is omdat er in liefdesrelaties nog iets anders speelt dan de mensen die eraan deelnemen. Ik zeg het al: mensen nemen deel aan liefdesrelaties. We zijn deelnemers aan interacties. Die relaties, die interacties, die spelen op zich ook een rol in hoe we met elkaar omgaan. We kennen allemaal wel het voorbeeld van elkaar groeten. Misschien is het hier vanavond nog met u gebeurd, bij het binnenkomen zag je iemand, en er wikkelde zich een begroeting tussen jullie af: die ging vlot, of niet. Was het misschien alleen een korte herkenning via oogcontact, was het een omhelzing, werden het een paar kussen? Geen van jullie had op voorhand bedacht wat het ging zijn.

Onze interacties tussen elkaar, zoals die zich afwikkelen in het moment zelf, spelen hierin een grote rol. Dat is één van de nieuwe ideeën die nog niet zo algemeen bekend zijn, die de basis vormen van het betoog in dit boek.

Er is een spanning tussen kenner en hetgeen zij kent, tussen geliefden, vanwege het zijn van ieder, en vanwege de interacties en de relaties die zich onvermijdelijk tussen hen afspelen. De spanning tussen die elementen, vormt de basis van hoe we kennen. Dat is waar dit boek over gaat.