Search

participatory sense-making

the enactive approach to intersubjectivity

Category

Uncategorized

Lamellen

Na de tweede les op de schrijfcursus geeft Mounir als huiswerk: Schrijf een column van maximaal 350 woorden, over iets wat je meemaakt deze week. Maak het persoonlijk, geef je mening, een reflectie. Bij voorkeur iets van jezelf ontbloten.

Ik werk de eerste drie dagen van de week zo hard, dat het me toeschijnt dat ik helemaal niks meemaak. Of toch niets dat ik wil opmerken. Alleen dit: op een avond wanneer de zon eindelijk gezakt is en ik de lamellen kan opendoen, zie ik hoe de schijven wiegen. Onregelmatig ten opzichte van elkaar, speelt het licht met hen. Er lijkt geen patroon in te zitten, en de langzaam uitstervende beweging geeft mij zoveel rust, dat ik wel ter plekke in slaap zou kunnen vallen.

Diezelfde avond is er onverwacht een soort rave op het sportveldje achter ons huis. Zestig tot zeventig kids zwermen aan, spelen bonkende muziek, praten en lachen luid, en houden ons tot diep in de nacht wakker. Het is verdorie midden in de week! Hoe komen ze erbij? Wanneer we de politie bellen, zeggen die “dat gebeurt de hele tijd in Amsterdam, we kunnen er niets aan doen.”

Ondanks dat ik niet goed kan slapen, blijf ik er gelaten bij. Het maakt alleen wel dat van deze column niks in huis komt. Ik heb de hele dag quasi vrij genomen om eraan te werken (en tenslotte gaat het om leren schrijven, hetgeen zijn nut heeft voor mijn werk), maar er komt niets van terecht.

Hup, nog honderd woorden, dan is het vol. Ontbloten? Ja, met deze zomerdagen wel. Mijn armen en benen zijn bloot. Mijn ziel? Die trekt zich terug, gedijt niet in zulk weer. Ik kan haar niet vinden.

Ik ging hier nog iets schrijven, maar––op dit moment komt mijn stiefzoon binnen. Ik mag hem doodgraag, maar zijn zestienjarige lijf en leden zijn van zo’n ruimtevullendheid, dat eender welke inspiratie die ik hoopte te vinden nu tussen lummelende lamellen het huis uit sluipt.

 

(N.a.v. de online Masterclass schrijven die Mounir Samuel gaf bij LGBTQ+ boekenwinkel Kartonnen Dozen in juni 2020.)

Screen Shot 2020-04-25 at 11.44.48

Listening

At the till, I hear my partner say to the cashier: “It’s busy today!” It takes a moment, but then he surfaces out of the automatism of scanning groceries. His face lights up and he says: “Yes, it is!” and smiles a little smile. The interaction between us has opened up a smidgen. This is no longer such a generalised transaction.

Another example. Listening can also turn out to be: to yourself, even in conversation with others. Over days now, I’ve been exchanging phone calls and chat messages with my sister. She and her husband have offered to take my two small children home with them for a few days next week, to give me a little rest, and because they’d all enjoy it. They live a two-hour drive away. I’ve been worried, the kids excited. I’ve asked her several times: will this not be too much for them? Are they sure? Then, finally, this morning, I was able to admit to myself that I’m just scared to death to be without my babies for three days.

———

Listening wants an opening from us. Engaged, active listening asks us to open ourselves to what we hear. But, unavoidably, we also have terms of admission set up.

What listening has to do with admitting is this. To admit means to allow something or someone in, whether it’s a feeling, a thought, or a punter—into oneself, one’s group, one’s place. Buying a ticket to the concert, we make sure we will be allowed in on the day. Admitting comes from the Latin ad (to) + mittere (to send). To admit, then, is to send out for what comes back—the thing to be acknowledged or let in (regret, or a concert goer). To admit requires a precise opening (along the terms of admission). It means to determine, to some extent, what will be let in. Ideally, we admit what is appropriate, what fits. (We aim for that, it might not always work.)

I find listening particularly sensuous, and particularly dangerous.

Listening takes us back and forth between what we can, will—or not—hear and ourselves. Listening can take us on a journey, can make us wonder and wander, here, there, and back, and again, outwards, inwards. Listening sweeps up: us and what we hear and what happens in-between. That this is full of tension, is precisely what moves us.

In listening, there is an expectation of what we are going to hear. This involves us. An expectation will be met, or not. We realize this could change me. What of this will I admit, will I take in, will I let happen? How and how much will I—and what I’m hearing—change?

What say do we have over this? And how, after that, do we go on?

And yet, herein also lies the salvation of listening. Engaging in listening gives us opportunity to evolve, if we let it.

 

(Written on the occasion of the Social Acoustics event, University of Bergen, Norway, February 2020. Thank you, Jill Halstead for this opportunity to think about listening, and to Doran Osterhold, Ezequiel Di Paolo, and Leen De Jaegher for comments and inspiration.)

Loving and knowing (paper)

New paper at Phenomenology and the Cognitive Sciences (open access):

De Jaegher, H. (online first 19/08/2019) Loving and knowing. Reflections for an engaged epistemology. Phenomenology and the Cognitive Sciences, doi:10.1007/s11097-019-09634-5 (pdf)

ABSTRACT:
In search of our highest capacities, cognitive scientists aim to explain things like mathematics, language, and planning (and while explaining them, they often imagine computers at work). But are these really our most sophisticated forms of knowing? In this paper, I point to a different pinnacle of cognition. Our most sophisticated human knowing, I think, lies in how we engage with each other, in our relating. Cognitive science and philosophy of mind have largely ignored the ways of knowing at play here. At the same time, the emphasis on discrete, rational knowing to the detriment of engaged, human knowing pervades societal practices and institutions, often with harmful effects on people and their relations. There are many reasons why we need a new, engaged—or even engaging—epistemology of human knowing. The enactive theory of participatory sense-making takes steps towards this, but it needs deepening. Kym Maclaren’s (2002) idea of letting be invites such a deepening. Characterizing knowing as a relationship of letting be provides a nuanced way to deal with the tensions between the knower’s being and the being of the known, as they meet in the process of knowing-and-being-known. This meeting of knower and known is not easy to understand. However, there is a mode of relating in which we know it well, and that is: in loving relationships. I propose to look at human knowing through the lens of loving. We then see that both knowing and loving are existential, dialectic ways in which concrete and particular beings engage with each other.

Keywords:
Cognition, Participatory sense-making, Human knowing, Letting be, Enaction, Love

Aarzeling

Bij de boekpresentatie van Denken over liefde hoeft geen schrik aan te jagen (11/10/2018, de Groene Waterman, Antwerpen)* las ik deze tekst voor:

Aarzeling

 

IMG_7984
Credit: Isabelle Barberis

“We always hesitate when we wish for something” (theaterdirecteur Zofia Kalinska)

“It is the story of this hesitation that is the point of writing” (schrijver Deborah Levy)**

We aarzelen, wanneer we iets wensen.
En het punt van schrijven, van een boek schrijven dus ook, is het verhaal van deze aarzeling.

Ik wens ook iets, en heb bij deze boekvoorstelling ook geaarzeld, zoals mijn moeder en mijn lief weten, die hier allebei aanwezig zijn. Ik aarzelde, misschien van de zenuwen. Ik heb zoiets als vandaag tenslotte nog nooit gedaan. En het is zo’n klein boekje!

Maar ik wens er wel iets mee. En dat is niet iets kleins. Ik wens dat we beter zouden kunnen denken, samen. En daarom heb ik dit boek geschreven.

In feite is het boek zelf, inderdaad, een aarzeling. En een stap.

Het is een aarzeling, binnen mijn werk, binnen de weg die ik aan het afleggen ben met mijn werk, dat ik nu al twintig jaar doe. Dat werk, dat is: cognitie onderzoeken. Dat wil zeggen: onderzoeken hoe we denken, hoe we de wereld verstaan, en elkaar. Wat dat is, intelligentie.

Daar ben ik al heel lang mee bezig, met die vraag, al van kindsaf aan. Als 6-jarige vroeg ik mij af: wat is denken? Zoals veel 6-jarigen misschien (of zelfs 4-jarigen). Maar het is blijven plakken, bij mij.

Toen, samen met mijn ouders, mijn vader psycholoog en mijn moeder home-trainer, allebei autisme-specialisten, dacht ik na over hoe mensen denken. Heel interessant daarvoor waren de gedragingen en het denken van de mensen met autisme met wie mijn ouders werkten.

En er is iets in die gesprekken, in wat ik thuis leerde over denken, over mensen, en over omgaan met elkaar, wat de cognitiewetenschappen en de filosofie van de geest nog altijd niet goed weten.

Dat iets, dat weten jullie allemaal, dat weet iedereen hier in feite goed. Mensen, weten dat goed. Maar de cognitiewetenschappen – die zich meestal focusen op hoe computers weten – die weten dat nog niet zo goed.

Dat, wat jullie, wij, allemaal weten, dat is waarom ik dit boek geschreven heb. En in die zin is dit boek een aarzeling, en een stap.

Een aarzeling in de cognitiewetenschap, in mijn traject als filosoof die ons kennen, ons denken onderzoekt. Ik probeer er een pauze in aan te brengen, in dit traject. En hierin zit de stap.

De stap is er één naar buiten mijn comfort-zone -> naar het “bredere publiek,” “de leek,” zogezegd.

Ik zeg “zogezegd” omdat ik niet denk dat jullie (ik vermoed dat de meeste van jullie geen cognitiefilosofen zijn) – ik denk dus niet dat jullie leken zijn. Jullie zijn net de experts. Ik heb jullie nodig. Ik weet dat er leerkrachten in de zaal zitten, en verplegers, misschien therapeuten, of winkelbediendes. De meesten van jullie doen werk waarin datgene wat de cognitiewetenschappen nog niet weten, cruciaal is. En dat is: intermenselijke interactie.

In onze interacties met elkaar doen wij allemaal heel gesofisticeerde dingen – en daar ligt ons meest verfijnde, ons meest sublieme kennen en cognitie. Daarover gaat dit boek. Het is dus niet een boek waarin een filosoof zich vanuit haar ivoren toren “tot het volk richt”. Het is een uitnodiging tot samen denken. Ik bespreek voorbeelden uit het dagelijkse leven, zoals zorgen voor een familielid met dementie, en voetbaltraining, om de concrete realiteit, de alledaagse expertise van ons allemaal, naar de filosofie en de cognitiewetenschappen te halen, en ze daar diep in te laten doordringen – want dat is nodig. En om die dingen te kennen – ik als filosoof, die het tot nu toe vooral heel gewoon was om zeer academisch te spreken en te communiceren – hoop ik, met dit boek, een dialoog te openen, met jullie.

Dus, de cognitiewetenschappen weten nog altijd niet goed hoe wij mensen weten, en dat komt omdat ze zich gefocust hebben op hoe computers weten. Wat het meest menselijke is aan ons weten, wat we “gewoon doen” als leraars, als verplegers, als therapeuten, als ouders, als broers en zussen, maar wat niet in de handboeken voor al deze beroepen staat – noch in tekstboeken van de cognitiefilosfie – dat “gewoon menselijke” en inter-menselijke, daar gaat dit boek over.

En ik denk dat we dat allemaal het beste, het meest intiem, kennen in onze liefdesrelaties.

Daarom heet dit boek “Denken over liefde hoeft geen schrik aan te jagen” – omdat noch de filosofie van de cognitie, noch wij mensen allemaal, schrik moeten hebben van denken over liefde. Van weten hoe dat in elkaar zit, liefhebben. Want liefhebben, denk ik, is waar we allemaal het beste weten en kennen (waar we niet weten en kennen zoals computers, maar als mensen). Waar we vooral ook weten hoe moeilijk dat dikwijls is, kennen en weten, en liefhebben. Het zit vol valkuilen, moeilijkheden, verborgen intenties, onzekerheden, enzoverder. En toch doen we dat veelal, gaan we dat de hele tijd aan, dat liefhebben. We hebben daarin weinig keuze, zelfs.

In liefhebben zit een spanning, tussen onszelf, en de ander. De ander is, zichzelf. En wij ontmoeten die ander. Als onszelf. Ik ontmoet mijn lief, mijn moeder – twee mensen die ik erg liefheb – en ontmoet ze, als mijzelf. Dus, er is een spanning tussen wie zij zijn, en wie ik ben. Dikwijls geraakt dat in de knoop. En daarmee, met die gegevens, die wij zijn, en die zij zijn – en de knopen die zich in de koordjes tussen ons voortdurend spinnen en weer ontwarren – daarmee moeten we het doen, in liefdesrelaties. Elkaar kennen, weten wat de ander en ikzelf bedoelen, willen, net niet willen of bedoelen, dat is allemaal een spannende zaak. Een zaak soms, waar bommetjes onder liggen. Liefdesrelaties kunnen aartsmoeilijk zijn.

En dat is omdat er in liefdesrelaties nog iets anders speelt dan de mensen die eraan deelnemen. Ik zeg het al: mensen nemen deel aan liefdesrelaties. We zijn deelnemers aan interacties. Die relaties, die interacties, die spelen op zich ook een rol in hoe we met elkaar omgaan. We kennen allemaal wel het voorbeeld van elkaar groeten. Misschien is het hier vanavond nog met u gebeurd, bij het binnenkomen zag je iemand, en er wikkelde zich een begroeting tussen jullie af: die ging vlot, of niet. Was het misschien alleen een korte herkenning via oogcontact, was het een omhelzing, werden het een paar kussen? Geen van jullie had op voorhand bedacht wat het ging zijn.

Onze interacties tussen elkaar, zoals die zich afwikkelen in het moment zelf, spelen hierin een grote rol. Dat is één van de nieuwe ideeën die nog niet zo algemeen bekend zijn, die de basis vormen van het betoog in dit boek.

Er is een spanning tussen kenner en hetgeen zij kent, tussen geliefden, vanwege het zijn van ieder, en vanwege de interacties en de relaties die zich onvermijdelijk tussen hen afspelen. De spanning tussen die elementen, vormt de basis van hoe we kennen. Dat is waar dit boek over gaat.

Loving and Knowing (video)

In this talk, I invite the audience to think together with me about the question What is it to know something? Cognitive science and philosophy of mind like to portray knowing as something that doesn’t require much involvement of the heart. But I explore the idea that knowing is, in a particular sense, loving, and that loving is, in a particular sense, knowing. Loving and knowing share the same fundamental tension of letting something be, without letting it go. Using everyday examples, I explore how this tension animates our lives, never letting us go, in a continual, inescapable, wonderful and exasperating dialectic.

This is the video of my presentation “Loving and Knowing,” presented at the “Time, Body and The Other: Phenomenological and Psychopathological Approaches” conference, Heidelberg, September 2018, organized to celebrate Thomas Fuchs’ work.

Kennen en begrijpen doen we in verbinding met elkaar

(Eerder verschenen op Bijnaderinzien.org)

Op een morgen, ergens in oktober vorig jaar, op de Thalys onderweg van Amsterdam naar Nantes, zit ik over mijn laptop gebogen. De man naast mij opent een gesprek met “schrijft u een boek?” Meteen goed! Ja, ik schrijf een boek, over kennen.En hij, schrijft hij een boek? Misschien na zijn pensioen. Dat duurt nog wel even, zeg ik, denkend dat ik hem misschien kan aansporen. Maar dat hoeft niet, er ontspint zich sowieso iets interessants.

Ik stuur het gesprek al redelijk snel naar wat hij doet (heb niet veel zin om het hele punt van mijn boek nu uit de doeken te doen). Werken bij een telecombedrijf, was ook diplomaat geweest, en werkte nu met de Europese Commissie uit hoofde van dat bedrijf. We praten over media, over Europa, over waarom de Europese Unie belangrijk is, en over hoe mensen zich kunnen informeren over de Europese Unie. Over voedselveiligheid, en over verdragen daarover. Over wat Europa tegenwoordig bedreigt (Brexit, de spanningen in Spanje, de steeds grotere assertiviteit van de Oostelijke lidstaten), hoe het moeilijker is dan pakweg tien jaar geleden, en waar Europa naartoe gaat. Dat laatste weet hij niet, is ook moeilijk te weten dezer dagen. 

Af en toe stuurt hij het gesprek weer terug naar mijn thema. Hij vraagt zich af hoe we kennen, hoe we weten wat we weten. En hoe we ons informeren, ons kunnen informeren.

Gepersonaliseerd versus persoonlijk nieuws

Vroeger gingen de mensen naar de kerk, zegt hij, en lazen ze de krant die bij hun maatschappelijke situering hoorde. Ze voedden zich met een wereldbeeld dat hun al bestaande perspectief verder inkleurde en bestendigde. Nu—via sociale media—krijgen we ons nieuws veelal voorgeschoteld, op een “gepersonaliseerd” blaadje. Dat wil zeggen: algoritmes berekenen waar we in geïnteresseerd zijn, en brengen ons dan het “nieuws” (en de reclame, vaak niet goed van nieuws te onderscheiden) dat al bij onze geplogenheden past. In die zin is er niet veel veranderd. We dompelen ons nog steeds verreweg onder in een wereldbeeld dat we al kennen, en kijken niet vaak voorbij de kerktoren.

Mijn reisgenoot heeft gelijk, maar hoewel het misschien gepersonaliseerd is, is dit nieuws niet persoonlijk. Het wordt ons eerder aangebracht dan verteld. Er zijn geen specifieke anderen aan het woord, met een herkenbare stem, een perspectief, of een agenda die we kunnen achterhalen. Het “nieuws” wordt doorgegeven, we lezen het op walls of feeds van mensen die we niet altijd persoonlijk kennen, en die het zelf ook op deze manier voorgeschoteld hebben gekregen. We gaan niet in verbinding met het denken van een andere persoon.

We hebben wel het gevoel een confrontatie aan te gaan met dit soort “nieuws”: we liken wat we goed vinden, en andere emoji’s staan ons toe te tonen dat we ons eraan storen, het grappig vinden, het er niet mee eens zijn. Maar verder gaat het meestal niet. Als er al “discussie” is, gaat het vaak niet verder dan het steeds opnieuw stellen van onze positie, van onze mening. We zijn zeer stellig, maar veel plaats, energie, of kunde om dingen ter discussie te stellen is er niet.

Terwijl de nieuwe media ons ogenschijnlijk verbinden (dat dat hun hele raison d’êtreis, maken ze ons zelf toch graag wijs), en ons in principe de blik zouden kunnen openen, blijkt meer en meer dat we niet veel meer kunnen of doen dan ja of nee klikken.

Inderdaad, het is waar dat we, om onze blik te openen, zelf verantwoordelijkheid dragen, en dus zelf actief op zoek moeten gaan naar andere perspectieven om ons wereldbeeld te verrijken en te verbreden, zelfs open te breken. Maar daarvoor is een ander contact nodig dan dat waartoe de sociale media zoals ze nu zijn ons uitnodigen. Wat ze nu doen is letterlijk een voorschotelen. Er hoeft niet teveel overwogen te worden, kritisch bekeken, bedacht, zelfs maar achterhaald te worden. We stemmen in of tegen, maar een “zich engageren” gaat niet dieper dan die halve millimeter van de muisklik.

Communicatie gaat ons allemaal aan. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de middelen die het internet—onze steeds stijgende verbondenheid?—biedt ons ook echt in staat blijven stellen grip te krijgen op de werkelijkheid, te onderzoeken, te weten en te kennen?

Verbinding op persoonlijk niveau

Volgens mij moeten we daarvoor inspiratie zoeken in hoe we ons verbinden op persoonlijk niveau. Daarvoor moeten webeter begrijpen hoe we elkaar verstaan, hoe we weten en kennen in onze alledaagse, interpersoonlijke interacties. Ons begrip vergroot, wordt en blijft flexibel door met elkaar te spreken: over onze relatie of de plannen voor de dag terwijl we samen ontbijten, ’s avonds in bed gaat het over waar onze dochter toch mee zit dat haar afhoudt van haar huiswerk. Op reis in de trein, met een wakkere vreemde met een open blik gaat het ineens onverwacht over Europa, sociale media en onze ethische deelname aan de wereld.

Belangrijk hieraan is dat veel van het begrijpen, het weten, en het kennen dat hier gebeurt, in de persoonlijke gesprekken tot stand komt. En dat gebeurt in veel-minder-dan-ideale omstandigheden. Niets hieraan is gestroomlijnd. We moeten interpreteren, er is een heen en weer, verwachtingen, misverstanden, en vraagtekens zijn live. Begrijpen en verstaan hebben tijd nodig, moeilijke tijd, en hindernissen zoals onbegrip, en onderbroken worden, de draad verliezen en weer oppakken.

Later—al vroeg overgestapt op de volgende trein die nog even zou stilstaan in Montparnasse, mijn zitplaats al bereikt—zag ik, in de gewoonlijke verwarring van de vele passagiers die plaats zoeken voor zichzelf en hun bagage, dat er vogelpoep zat op de rug van het jasje van een man. Ik maakte hem erop attent, en anderen hielpen daarbij, want we bleken niet veel gesproken taal gemeenschappelijk te hebben (later bleken hij en zijn vriend Chinees te zijn). Een andere passagier wees naar de man zijn rug en haalde zijn neus op, ten teken van “daar, vies”. Terwijl het algemene struikelen over elkaar en bagage doorging in het gangpad, trok de man zijn jasje uit. Hij stond ermee in zijn handen. Ik reikte hem een pakje tissues aan en een andere vrouw suggereerde dat hij het kon afwassen op de toiletten. Terwijl hij en zijn vriend daar bezig waren kwam er een man langs die de rugzakken die de twee hadden achtergelaten op hun stoelen oppakte, al mompelend, “dit is mijn plaats”. Hij begon met de rugzakken de andere kant op te lopen, herhalend “ceci est ma place.” Ik vermoedde op dat moment al wat er gaande was – een dief! – maar was toch niet helemaal zeker. Achteraf besefte ik dat hij mij had afgeleid met zijn “c’est ma place”. 

Even later zag ik hem door het raam voorbij struinen, de twee rugzakken op zijn rug. De Chinese vriend kwam terug, de man met het jasje nog steeds op het toilet. De vriend keek vertwijfeld naar de lege zetels. Ondertussen zag ik uit mijn ooghoek nog meer geloop uit het raam. De Chinese man keek nog eens vragend naar de lege stoelen, ging bij zijn vriend aankloppen, ik zag een zachtjes stijgende ongerustheid. Even later kwam de treinconducteur de wagon ingelopen, de twee rugzakken triomfantelijk in de lucht. Nog steeds verbazing bij de Chinese man. Hij nam de rugzakken aan. Ik zei tegen de vrouw tegenover me, in het Frans, dat ik het gezien had, maar niet zeker was geweest wat er gebeurde, en zij nam het op zich om dit in het Engels te vertalen naar de Chinezen, ondertussen met rugzakken en schone jasje weer ter plaatse bij hun stoelen. Ik zag het begrip van wat er gebeurd was groeien tussen de twee, en daarmee hun opluchting. De vriend nam een Chinees aandenken (een soort amulet gemaakt van rood touw, ik weet niet wat de naam ervan is) uit zijn rugzak, en gaf het aan de vrouw tegenover me. Even later kwam de conducteur weer voorbij. Ook hij kreeg er één, met een stevige handdruk en opgeluchte wederzijdse schouderklopjes. 

Verstaan, begrijpen, kennen, wetendat doen we in verbinding met elkaar. In verbindingen waar er iets op het spel staat. En dat is bijna altijd het geval wanneer we elkaar ontmoeten.

*Ondertussen is het boek waar de auteur aan werkte klaar. Het gaat over hoe we denken en weten in verbinding.

De Jaegher, Hanne (oktober 2018). Denken over liefde hoeft geen schrik aan te jagenLetterwerk, Antwerpen, BE

Spontaneity

Spontaneity

Hanne De Jaegher

Note: this text* was written and then (the next day) read out loud at a small gathering of neuroscientists, philosophers, linguists, artists, and psychologists. We spent two intense days thinking about spontaneity and mind-wandering at a wonderful meeting organized by Dr. Kalina Christoff and Dr. Caitlin Mills:
From Villain to Virtuoso: The Role of Spontaneous Thought in Science and Society
22–24 July 2018
UBC, Vancouver

My participation, my presentation here, is spontaneous. In the sense that I wrote this text yesterday. But of course, I was also invited, and so I was asked to think about this (so in that sense, it wasn’t so spontaneous). Spontaneity is a new topic for me, and I’m grateful for the opportunity to think about my current work in a new way. To take a new angle, a new perspective on this work.

My current work, that is a book I’m writing, called Loving and Knowing. In this book, I strip bare what loving and knowing are, and find, by doing that, that they are, in the ground, in essence, the same. This is a whole theory, and I can speak about it more, but for now, I’d like to run with the idea – or the act, rather – of stripping bare a particular aspect of experience. I want to see, here, if by doing that I can arrive at some fruitful thoughts about spontaneity.

Traveling is a stripping bare. I love the particular newness of being that traveling brings. If I have my things packed well and am confident that I have everything I need, and not too much, and if I can think that if there’s something I didn’t bring I can either do without or obtain it while traveling, then I can kind of begin again.

I’ve never experienced this so clearly, I have never been so aware of this, as on this occasion. I travel a lot: living in two countries, in two cities, in a sense I am always traveling. But I am then traveling between two homes: one is home where my flat is, my things, and my work, the other is home because that’s where my partner is, where my family is.

But somehow traveling this time has put me more in touch with what traveling is. With what it allows us see – to get to know – about experience.

Maybe this is because I’m traveling for several weeks, seven, and I really only wanted to bring a small suitcase this time. And I managed it, for the first time! So, this traveling is a material stripping bare.

But I think traveling is also a stripping bare of experience. One that allows you, gives you the opportunity, to get closer to the bones of experience.

To the bare bones and the experience of spontaneity, for instance.

What is spontaneity?

When traveling alone like this, I feel it gives me a chance to begin again.

It’s like every arriving somewhere – and most strongly so in a hotel or in a rented flat where things are just practical, not connected with familiar meanings for me – I feel like I can begin afresh. And this promises that I can be better. I can make a small new beginning.

I can be detached from the things that don’t matter so much. This kind of traveling comes with a purity I am trying to better understand. And I’m trying to understand what it means about being, about being human. About being a human now. Stripped bare, a little. Because of course, this here is “stripped bare” in very good, even luxurious circumstances, where we are so very well taken care of.

It must be so different to be stripped bare as a refugee, for instance, or as a prisoner of war… But I wonder if something about it, even a tiny thread of it, is perhaps similar. I hope I never have to find that out for myself, but I feel we live in times where this isn’t so certain. But perhaps all times have felt like that to those living them.

Spinoza can be read in a way that helps deal with these questions. According to Spinoza, “God is Nature,” and everything happens according to the laws of Nature. Everything is as it is supposed to be. Spinoza himself did not have an easy life. He was excommunicated from the Amsterdam Jewish community for his ideas, and yet, he seems to have believed that everything is in its place.

This is a puzzling thought, because how to deal with things that you wish were different? Like when someone you love dies before you? Is that also meant to be? In some sense, I think even there, the only thing we can do is radically accept it. Because I think that is what Spinoza invites us to do: accept that it is part of how things are, according to Nature. Sub specie aeternitatis – in the light of eternity.

That is, of course, for certain things life throws at us, very difficult. But accepting it truly changes how you can deal with it. The change that comes with radical acceptance happens at a level of being that we more feel than can speak about. Here, we are touching on the ineffable. And it is hard to foresee how you will change when you accept things, before having done it. And that is part of what makes it scary to radically accept something. You will be changed. That much, but only that much, is clear.

I think often, lately, of this idea (or perhaps it is simply a fact) that we are changed by what we do, by what we know, and by what we love. In cognitive science and philosophy of mind – my fields – the traditional, computational, functionalist view has nothing to say about how or even that we change through knowing, through acting.

Within the new loving and knowing framework I’m developing, that is one of the things I want to say: in knowing and in loving, we are changed. We always change. That is scary, and perhaps we don’t want to know this (the cognitive sciences definitely don’t seem to want to know this). We prefer, often, to act like this is not true (and thereby, in effect, we change less, we become less flexible). Maybe this is also to protect ourselves from it?

On the other hand, this constant changing we do in relation to what we know is also in tension with Spinoza’s idea that everything is as it is supposed to be. Because does this then mean there is no change, in his view? This can’t be true. In the time, space, and experience of a human life, there is change. Living is changing. We have no choice in that. That’s an interesting paradox, isn’t it?

To go deeper into this paradox, we can call on philosopher Hans Jonas. He characterises living as needful freedom. Living beings are material, yet the particular material which they are made of at a particular moment in time, constantly changes. Matter they are made of, yet form is what they maintain. Matter and energy pass through us, and we make this happen, it is our basic activity to do this, yet at the same time, what we maintain is organization.

Organic form, thus, transcends matter. Living being, while dependent on matter, transcends matter, out of its needs as living being. This is needful freedom. A living being is both needful and free.

On the basis of this, Jonas gives us something interesting about spontaneity. He says, “[this] transcendence of life […] is not merely a reaching outward, i. e., a function of the spontaneity of life, but equally an exposure to affections impinging upon it from out of this horizon. [The] affectivity of all living things complements their spontaneity; and while [this affectivity] seems to indicate primarily the passive aspect of organic existence, it yet provides, again in a subtle balance of freedom and necessity, the very means by which the organism carries on its vital commerce with the environment i. e., with the conditions of its continued existence. Only by being sensitive can life be active, only by being exposed can it be autonomous.”

Jonas, thus, sees spontaneity as basic to life, and only living things have spontaneity. Spontaneity, moreover, seems to be on the balancing cord, on the knife edge, between life’s need and life’s freedom, life’s receptivity and life’s transcendence.

I wonder, then, if we can better understand what spontaneity is if we go to the basic experience of life?

With regard to the question of what the conditions are for spontaneity,** let me say this. With Jonas, and with Spinoza, I would like to propose as a starting point for thinking about spontaneity that it is something we can have and perhaps also know (only?) if we allow ourselves to strip bare life and experience a little, if we get closer to the bones of life and experience. And when we can do so without being afraid, either because circumstances are good, or because – when they aren’t – we are ready to accept things, to see them “in the light of eternity.” Spontaneity, it seems, requires a kind of very basic trust. Anything that disrupts that trust, will stiffen us up, and spontaneity evaporates. If there is only need, or if there is only freedom, there can be no spontaneity. This is another way again of saying that life and spontaneity are basic to each other.

I’d like to leave you with the question: What are the limits of spontaneity? Does it require not only life, but also a reasonably good life?

(Note for discussion: Think of Jean Améry, who writes in his At the Mind’s Limits of how difficult, even perhaps radically impossible, this is in extreme circumstances. (Améry survived Auschwitz.) Could it be that what really takes spontaneity away is the destruction of a very basic trust, life’s basic trust? And isn’t this trust, for humans, essentially connected to others? One thing Améry says about what makes torture lose one’s trust in the world, is the fact that, when tortured, you can expect no help. He suggests it is basic to human life that we can expect help. Only in situations of torture, or when confronted with system(ic) brutality, do we lose the possibility, and the trust, that help will come. And therefore, spontaneity, while basic to life, requires trust, and a social world.)

*To quote it (APA style, please check other styles as needed):
De Jaegher, H. (2018, July 16). Spontaneity [Blog Post]. Retrieved from http://www.hannedejaegher.net

** A question proposed for this session by the workshop organizers.

Reading:

Améry, J. (2009). At the Mind’s Limits: Contemplations by a Survivor on Auschwitz and Its Realities. Bloomington: Indiana University Press.

van Buuren, M. (2016). Spinoza. Vijf Wegen Naar de Vrijheid. Amsterdam: Ambo | Anthos.

Jonas, H. (2016). Organism and Freedom. An Essay in Philosophical Biology. (Appendix zu Bd. I,1 KGA). In D. Böhler, M. Bongardt, H. Burckhart, & W. C. Zimmerli (Eds.), Kritische Gesamtausgabe der Werke von Hans Jonas. Freiburg i.Br.: Rombach.

Spinoza, B. (2017). Ethica. M. van Buuren (Transl.). Amsterdam: Ambo | Anthos.

Stauffer, J. (2015). Ethical Loneliness. The Injustice of Not Being Heard. New York: Columbia University Press.

Would you like to apply for a Marie-Skłodowska-Curie fellowship with me?

If you’re interested in applying for a Marie Skłodowska-Curie scholarship with me at the IAS-Research Centre for Life, Mind and Society (http://www.ias-research.net/), please do get in touch.

I’d be happy to consider topics related to participatory sense-making, including, but not limited to:

  • Intersubjective epistemology/epistemology of engagement
  • Love and intimacy (incl. feminist theory)
  • The phenomenology of interacting / of making sense together
  • Conflict and interactional breakdown
  • Applications of participatory sense-making in therapy, education, consulting, care, the arts
  • Autistic embodiment and sense-making, autistic language
    (I particularly welcome expressions of interest by people with autism/autistic people, and not just on this question)
  • Combining quantitative and phenomenological methods to study interactive experience
  • Ethical and political implications of participatory sense-making

More information here: https://eshorizonte2020.es/expressions-of-interests/dr-hanne-de-jaegher

 

Blog at WordPress.com.

Up ↑